Hoge Raad zet definitief punt achter geschil over meerwerk op Bonaire

· - leestijd 2 minuten
Afbeelding

KRALENDIJK – De Hoge Raad heeft een definitief einde gemaakt aan een jarenlang juridisch conflict tussen Dabboussi Holding B.V. en elektrotechnisch installateur Elektro Pro B.V. over de betaling van meerwerk bij de bouw van een nieuw pand op Bonaire. De hoogste rechter verwierp het cassatieberoep van Dabboussi Holding, waardoor de eerdere uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie volledig in stand blijft.


De zaak draaide om de levering en aanleg van elektrotechnische installaties tijdens de bouw van een nieuw gebouw op Bonaire. Terwijl de werkzaamheden werden uitgevoerd, ontstond een conflict over zogenoemd meerwerk: aanvullende werkzaamheden die buiten de oorspronkelijke overeenkomst vielen.

Elektro Pro stelde dat zij recht had op betaling van ruim USD 24.700 voor extra werkzaamheden. Dabboussi Holding betwistte die vordering en voerde aan dat partijen tijdens een bespreking op 27 maart 2020 afspraken hadden gemaakt over een andere wijze van berekenen van het meerwerk. Volgens de holding moest daarom een lagere calculatie worden gevolgd.

Hof: geen bewijs van gemaakte afspraak

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie gaf Dabboussi Holding in oktober 2024 de opdracht om te bewijzen dat tijdens de bespreking daadwerkelijk overeenstemming was bereikt. Na het horen van een getuige en beoordeling van e-mails, WhatsApp-berichten en andere stukken kwam het Hof in mei 2025 tot de conclusie dat dat bewijs niet was geleverd.

Volgens het Hof lieten de e-mails die kort na de bespreking werden verstuurd juist zien dat beide partijen het fundamenteel oneens waren gebleven over de prijs van het meerwerk. Zo schreef de bestuurder van Elektro Pro expliciet dat volgens hem geen afspraken waren gemaakt en vroeg hij om een nieuw overleg om de kwestie alsnog af te ronden. Ook uit latere correspondentie bleek dat het conflict bleef voortbestaan.

Het Hof oordeelde daarom dat niet kon worden vastgesteld dat partijen overeenstemming hadden bereikt over de prijs van het meerwerk.

Beroep op contract en wet afgewezen

Dabboussi Holding voerde daarnaast aan dat het meerwerk niet betaald hoefde te worden omdat daarvoor geen voorafgaande schriftelijke overeenkomst bestond, zoals volgens de overeenkomst en het Burgerlijk Wetboek BES was vereist.

Ook dat argument hield volgens het Hof geen stand. De rechters wezen erop dat Dabboussi Holding als professionele opdrachtgever zelf had aangedrongen op voortzetting van de werkzaamheden, ondanks het lopende meningsverschil over de prijs. Onder die omstandigheden achtte het Hof het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat de opdrachtgever zich achteraf op het ontbreken van een schriftelijke meerwerkafspraak beriep.

Omdat de prijs van het meerwerk niet was vastgelegd, oordeelde het Hof dat Elektro Pro recht had op een gebruikelijke of redelijke vergoeding. Er was volgens het Hof geen aanleiding om aan te nemen dat het door Elektro Pro gefactureerde bedrag van USD 24.761 onredelijk was.

Na verrekening met een eerder toegewezen schadevergoeding van USD 1.000 aan Dabboussi Holding wegens patchwerkzaamheden, werd de holding veroordeeld tot betaling van USD 23.761, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten.

Hoge Raad ziet geen aanleiding tot ingrijpen

Dabboussi Holding legde de zaak vervolgens voor aan de Hoge Raad. De hoogste rechter heeft nu geoordeeld dat de klachten tegen het arrest van het Hof niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak.

De Hoge Raad maakte daarbij gebruik van artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie. Dat betekent dat de aangevoerde cassatieklachten geen nieuwe rechtsvragen oproepen die van belang zijn voor de rechtseenheid of de ontwikkeling van het recht. Daarom volstond de Hoge Raad met een korte motivering.

Einde van een zes jaar durend conflict

Met het arrest van de Hoge Raad is het geschil, dat zijn oorsprong vindt in de uitvoering van bouwwerkzaamheden in 2020, definitief beëindigd. De uitspraak bevestigt dat Dabboussi Holding het grootste deel van de openstaande meerwerkfactuur moet voldoen en daarnaast de proceskosten van zowel de procedures bij het Hof als in cassatie moet betalen.


2.338 keer gelezen

Deel dit artikel: