OM seponeerde aangifte tegen oud-gedeputeerde Anthony Weber, uitslag bleef maanden buiten beeld

KRALENDIJK – Het Openbaar Ministerie heeft al op 22 juni besloten geen nader strafrechtelijk onderzoek te doen naar voormalig gedeputeerde Anthony Weber. De aangifte tegen hem, wegens vermeende schending van het ambtsgeheim en smaad of laster, leverde volgens het OM onvoldoende aanknopingspunten op. Dat besluit bleef lange tijd buiten beeld. Het OM wilde tegenover de pers geen duidelijkheid geven over de uitkomst en ook indiener Clark Abraham gaf destijds geen reactie toen hij naar het besluit werd gevraagd.
De aangifte werd op 31 maart gedaan door Clark Abraham en Peter Silberie. Zij stelden dat Weber zijn ambtsgeheim had geschonden door informatie over de feitelijke stemverhoudingen binnen het Bestuurscollege van Bonaire naar buiten te brengen. Ook verweten zij hem uitlatingen tegenover de media die volgens hen als smaad of laster konden worden gezien.
Het OM kwam echter tot de conclusie dat er onvoldoende basis was voor verder strafrechtelijk onderzoek. In de brief van 22 juni staat onder meer dat niet vaststaat dat Weber daadwerkelijk de bron was van de journalistieke publicaties waar de aangifte op zag. Weber zou dat zelf ook hebben ontkend.
Om daar nader onderzoek naar te doen, zou volgens het OM mogelijk onderzoek naar journalistieke bronnen nodig zijn. Het OM benadrukt daarbij dat bronbescherming zwaar weegt en dat onderzoek naar bronnen van journalisten slechts in uitzonderlijke omstandigheden aan de orde kan zijn. In deze zaak waren daarvoor volgens het OM onvoldoende concrete aanknopingspunten.
Geen schending van ambtsgeheim vastgesteld
Ook inhoudelijk zag het OM onvoldoende grond om te spreken van schending van een ambtsgeheim. De informatie die aan Weber werd toegeschreven, kon volgens de hoofdofficier niet zonder meer worden aangemerkt als geheime informatie.
Daarmee ontbrak volgens het OM ook op dat punt een voldoende basis voor een verdenking.
Ook smaad en laster niet vervolgd
Ook de aangifte wegens smaad of laster leidde niet tot een strafrechtelijk vervolg. De uitlatingen van Weber zouden betrekking hebben gehad op de stemverhouding binnen het Bestuurscollege rond een besluit over financieel beheer.
Volgens het OM bestond voor die uitlatingen een feitelijke basis. Daarnaast merkt het OM op dat leden van het Bestuurscollege geacht mogen worden tegen publieke kritiek op hun bestuurlijke handelen te kunnen.
Het beschreven feitencomplex leverde daarom volgens het OM geen verdenking van smaad of laster op.
Politieke context speelde mee
Opvallend is dat het OM in zijn beoordeling ook nadrukkelijk verwijst naar de politieke context. De aangifte werd ingediend op dezelfde dag waarop Abraham en Silberie als gedeputeerden eindigden na hun ontslag door de Eilandsraad.
Volgens het OM moest de aangifte mede in het licht van die politieke en bestuurlijke spanningen worden bekeken. Strafrechtelijke handhaving is volgens de hoofdofficier in zo’n situatie een ultimum remedium en niet bedoeld om politieke conflicten te beslechten.
Het OM besloot daarom geen nader onderzoek in te stellen.
Dat besluit was al sinds juni bekend bij de betrokkenen, maar kwam niet publiekelijk naar buiten. Het OM wilde tegenover de pers geen duidelijkheid geven over de afdoening van de zaak. Ook Clark Abraham werd destijds benaderd met vragen over de uitkomst, maar gaf daarop geen reactie.
Abraham en Silberie konden tegen de beslissing schriftelijk beklag indienen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie op grond van artikel 15 van het Wetboek van Strafvordering BES. Voor zo ver bekend is dit niet gedaan.

































