
Nog geen drie maanden. Zo lang hield de bestuurlijke rust stand die de nieuwe coalitie op Bonaire had beloofd.
Sopi purá ta sali salu. Haastige soep komt zout uit de pan. Maar op Bonaire hebben veel burgers het gevoel dat zij de afgelopen week zelden zo zout hebben gegeten.
Nog geen drie maanden geleden trad een nieuwe coalitie van de UPB, MPB en de eenmansfractie van Salma Serberie aan. De opdracht was helder: Bonaire bestuurlijk door een relatief korte periode loodsen tot aan de eilandsraadsverkiezingen van maart 2027. Geen grootse politieke experimenten, maar stabiliteit, samenwerking en bestuurlijke rust.
Juist daarom was gekozen voor een coalitie op basis van gelijkwaardigheid. Iedere coalitiepartner leverde één gedeputeerde voor het Bestuurscollege. Dat was geen symbolisch gebaar, maar de kern van het akkoord. Geen van de drie partijen zou de boventoon voeren; het bestuur zou draaien op onderling vertrouwen en wederzijds respect.
Nog geen drie maanden later lijkt van die gelijkwaardigheid bitter weinig over.
Door aan te sturen op het vertrek van de door de MPB voorgedragen vakgedeputeerde Joselito Statia, iets wat de UPB ontkent, maar wat door MPB-fractievoorzitter Hennyson Thielman nadrukkelijk anders wordt beschreven, heeft de UPB willens en wetens de politieke balans binnen de coalitie verstoord. Wie een gedeputeerde van een coalitiepartner ten val brengt, weet immers dat daarmee niet alleen één bestuurder wordt geraakt, maar het fundament onder de gehele samenwerking.
Juist omdat de coalitie zelf heeft gekozen voor een model waarin iedere partij één gedeputeerde leverde, mocht iedere partner erop vertrouwen dat die voordracht zou worden gerespecteerd zolang er geen zwaarwegende bestuurlijke redenen waren om daarvan af te wijken. Niet omdat gedeputeerden onaantastbaar zijn, maar omdat wederzijds respect voor elkaars politieke verantwoordelijkheid de kern vormt van iedere coalitie die zegt op basis van gelijkwaardigheid te willen samenwerken.
Daarmee dringt zich een ongemakkelijke vraag op. Was die veelbesproken gelijkwaardigheid ooit werkelijk het uitgangspunt van deze coalitie? Of was zij vooral een schaamlapje waarachter één partij zich al vanaf het begin de leidende rol had toebedacht?
Die indruk wordt in belangrijke mate versterkt door de rol van interim-partijleider Jolinda Craane.
Craane maakt geen deel uit van de Eilandsraad. Zij is evenmin lid van het Bestuurscollege. Toch speelde zij in de afgelopen crisis ogenschijnlijk een driedubbele rol. Als adviseur van gedeputeerde Statia had zij hem moeten ondersteunen. Tegelijkertijd trad zij naar buiten als woordvoerder van de coalitie. Daarnaast ontstaat bij velen de indruk dat zij zich ook intensief bemoeit met het functioneren van het Bestuurscollege, alsof de drie gedeputeerden uiteindelijk aan haar verantwoording verschuldigd zijn.
Als die indruk klopt, is dat een bestuurlijk hoogst ongezonde ontwikkeling. In een democratie behoren politieke verantwoordelijkheid en bestuurlijke verantwoordelijkheid samen te vallen. Niet te worden uitgeoefend door iemand die geen gekozen volksvertegenwoordiger is en ook geen deel uitmaakt van het dagelijks bestuur.
Na het ontstaan van de crisis stuurde de UPB een persverklaring uit waarin zij verklaarde groot belang te hechten aan goed bestuur en bestuurlijke continuïteit. Dat klinkt geruststellend. Maar waarop is die geruststelling eigenlijk gebaseerd?
De UPB is immers slechts één van de drie coalitiepartners. De MPB heeft zich tot op heden weliswaar in ongekend scherpe bewoordingen uitgelaten over de gang van zaken, maar nog altijd niet duidelijk gemaakt of zij de coalitie blijft steunen. Daarmee is de politieke situatie verre van stabiel. Dat het Openbaar Lichaam vrijwel onmiddellijk de portefeuilles van de vertrokken gedeputeerde onder de twee overgebleven gedeputeerden en de gezaghebber heeft verdeeld, oogt eerder als crisismanagement dan als bewijs van bestuurlijke continuïteit.
Intussen blijven hardnekkige verhalen circuleren over de achterliggende redenen voor het vertrek van Statia. Volgens die verhalen zou hij op verschillende gevoelige dossiers simpelweg te lastig zijn geweest. Voor dergelijke beweringen bestaat vooralsnog geen openbaar bewijs en daarom past terughoudendheid. Maar juist daarom is maximale openheid noodzakelijk. Transparantie is immers de enige manier om speculaties te ontzenuwen. Wie zich beroept op goed bestuur, zou daarin voorop moeten lopen.
Wat vooral wringt, is dat Bonaire voor veel grotere uitdagingen staat. De aangekondigde forse stijging van de elektriciteitstarieven dreigt huishoudens en ondernemers hard te raken. Organisaties waarschuwen inmiddels openlijk dat de voortdurende bestuurlijke instabiliteit de economie en het investeringsklimaat schaadt. Het vertrouwen van inwoners in de politiek staat al jaren onder druk. Juist dan verwacht de bevolking dat bestuurders samenwerken aan oplossingen, niet dat zij elkaar politiek uitschakelen.
Tegen die achtergrond voelt het bijna surrealistisch dat de UPB zich juist deze week profileerde met een oproep voor goedkopere vliegtickets voor studenten. Dat is op zichzelf een sympathiek onderwerp. Maar terwijl de coalitie onder haar voeten lijkt af te brokkelen, voelt zo’n boodschap vooral als afleiding van de bestuurlijke crisis die het eiland in haar greep houdt.
Deze crisis zegt uiteindelijk iets dat veel verder gaat dan het vertrek van één gedeputeerde. Zij legt bloot hoe kwetsbaar de politieke verhoudingen op Bonaire nog altijd zijn. Een coalitie die juist stabiliteit moest brengen tot aan de verkiezingen van maart volgend jaar, staat nog geen drie maanden na haar aantreden alweer op losse schroeven. Niet door een orkaan. Niet door een economische crisis. Maar door politieke machtspolitiek binnen de coalitie zelf.
Daarom is de vraag uit de titel geen retorische truc, maar een vraag die inmiddels veel Bonairianen zich hardop stellen.
Wie bestuurt Bonaire: het Bestuurscollege of de UPB?
































