‘Bonaire heeft geen enquête van een half miljoen nodig, maar daadkrachtig bestuur’

De discussie over Selibon gaat allang niet meer alleen over afval. Zij gaat over bestuur, over verantwoordelijkheid en over de vraag of de politiek nog weet wat proportioneel handelen is. De raadsenquête die nu boven de markt hangt, wordt gepresenteerd als een daad van ernst. Maar wie beter kijkt, ziet vooral iets anders: een bestuur dat na jaren van stilstand ineens het zwaarste instrument uit de kast trekt, alsof dat de verloren tijd kan compenseren.
Door: Willem A. Cecilia
De waarheid is minder heroïsch. Bonaire wist al jaren dat er structurele problemen bestonden rond governance, toezicht en uitvoering bij de overheids N.V’s. en deelnemingen. Het rapport uit 2019, opgesteld in opdracht van BZK, liet daar weinig twijfel over bestaan. De diagnose was stevig, de aanbevelingen waren concreet en het implementatiepad lag klaar. Wat ontbrak was niet kennis, maar de wil en het vermogen om te doen wat nodig was.
Daarom voelt deze raadsenquête zo ongemakkelijk. Een enquête hoort het uiterste middel te zijn, niet de eerste uitlaatklep van bestuurlijke frustratie. Volgens de algemene maatstaf voor lokaal enquêterecht is juist proportionaliteit essentieel: gebruik dit zware middel alleen wanneer informatie niet op een andere manier kan worden verkregen. Dat is een verstandige norm, omdat een enquête diep ingrijpt, reputaties raakt en grote bestuurlijke en financiële lasten meebrengt.
Wie de stukken leest, ziet meteen het probleem. Er was al informatie. Er waren al rapporten. Er waren al waarschuwingen. Er waren al aanbevelingen. Sterker nog: de commissie Selibon zelf zegt dat zij vooral wil werken met dossieronderzoek en vrijwillige besloten gesprekken, en slechts in uitzonderlijke gevallen naar openbare verhoren onder ede wil grijpen. Daarmee bevestigt zij onbedoeld dat de kern van de zaak ook met lichtere middelen onderzocht had kunnen worden.
Dan resteert de vraag waarom hiervoor tot USD 500.000 mag worden uitgetrokken. In een groot land is dat misschien een abstract bedrag. Op een klein eiland is het een politieke keuze met morele lading. Want hetzelfde bedrag bevindt zich in de orde van grootte van ongeveer twee middelgrote vuilophaalwagens. Dat is geen simplistische vergelijking, maar een pijnlijke. Zij laat zien hoe gemakkelijk de politiek geld reserveert voor een proces, terwijl de samenleving al jaren wacht op prestaties.
Nog wranger wordt het wanneer men over de horizon kijkt. Bonaire is namelijk niet het enige eiland met een landfillcrisis. Aruba moet Parkietenbos technisch en structureel aanpakken. Sint Maarten werkt met consultatie, ontwerp en uitvoeringsprogramma’s aan de toekomst van zijn afvalbeheer. Curaçao onderzoekt verwerking en hergebruik nu de druk op Malpais stijgt. Sint Eustatius investeert in technologie om minder afhankelijk te worden van landfills.
Elders kiest men dus voor bestuurlijke en technische antwoorden. Op Bonaire kiest men voor een politiek ritueel dat vooral de schijn van strengte oproept. Dat is de kern van de kritiek. Niet dat de zaak-Selibon rust verdient. Integendeel. Zij verdient juist scherpte, tempo en verantwoordelijkheid. Maar scherpte is niet hetzelfde als zwaarte. Tempo is niet hetzelfde als theater. En verantwoordelijkheid ontstaat niet vanzelf uit een duur instrument.
Als de eilandsraad werkelijk wil laten zien dat zij haar controlerende taak serieus neemt, dan begint dat niet met een enquête van een half miljoen. Het begint met een eenvoudige en lastige vraag: waarom is er zo weinig gedaan met wat al bekend was? Wie die vraag eerlijk beantwoordt, komt dichter bij de oplossing dan met nog een stapel stukken, nog een ronde politieke verontwaardiging en nog een rapport dat later opnieuw onuitgevoerd blijft liggen.
Bonaire heeft geen tekort aan onderzoeken. Bonaire heeft een tekort aan bestuur. Dat wordt nog wranger wanneer politici eerst de bevolking vragen het nieuwe college een kans te geven, maar vervolgens zelf meewerken aan een situatie waarin dat college in dit dossier al aan handen en voeten is gebonden voordat het de ruimte heeft gekregen zich er werkelijk in te verdiepen en een voorlopig verslag uit te brengen. Juist daarom is een raadsenquête van deze omvang niet het bewijs van kracht, maar het symptoom van te lang uitgestelde verantwoordelijkheid en daadkracht.


































