Agent ontkent slaan geboeide arrestant, collega uit kritiek op KPCN

· - leestijd 5 minuten
Afbeelding

KRALENDIJK – Politieagent R.D. blijft ontkennen dat hij op 2 maart 2024 een geboeide arrestant in een politieauto heeft geslagen. Tijdens het hoger beroep bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie stelde hij dat hij de man niet heeft geraakt. Zijn collega M.H. kwam in haar slotwoord met stevige kritiek op de cultuur binnen het Korps Politie Caribisch Nederland (KPCN).


R.D. werd eerder door het Gerecht in Eerste Aanleg veroordeeld tot vier maanden voorwaardelijke gevangenisstraf wegens mishandeling. Daarnaast werd hij voor twee jaar ontzet uit het recht om bij het KPCN of als opsporingsambtenaar te werken. Van het valselijk opmaken van een proces-verbaal werd hij vrijgesproken.

Tijdens de behandeling van het hoger beroep hield R.D. vast aan zijn ontkenning. “Ik ben het niet eens met de veroordeling. Ik heb geen klap gegeven”, verklaarde hij.

De arrestant zat volgens R.D. geboeid in de politieauto. Ook een andere aangehouden persoon die op dat moment in de auto zat, zou volgens hem hebben bevestigd dat hij geen klap had gegeven. De rechter hield R.D. echter voor dat ook een collega heeft verklaard dat hij de arrestant wel een klap heeft gegeven.

R.D. bleef bij zijn verklaring. Hij stelde dat hij ondanks de spanning professioneel heeft gehandeld. Volgens hem draaide hij zich alleen om, zei hij tegen de arrestant dat hij zijn mond moest houden en wees hij daarbij met zijn vinger. “Ik heb niemand geraakt en niemand zijn neus gebroken.”

Twee verschillende processen-verbaal

Een belangrijk onderdeel van de behandeling ging over de processen-verbaal die na de achtervolging werden opgesteld. Volgens het Hof staan daarin verschillende beschrijvingen van wat er tijdens de achtervolging met de voertuigen gebeurde.

In het ene proces-verbaal wordt beschreven dat R.D. uitweek om een aanrijding te voorkomen, terwijl uit een andere verklaring een andere lezing naar voren komt. De manier waarop de achtervolging is beschreven is van belang, omdat tijdens het incident twee andere agenten hun vuurwapen hadden getrokken.

R.D. verklaarde dat agenten na een aanhouding altijd direct op het bureau een proces-verbaal opmaken. “We maakten altijd meteen een proces-verbaal direct op het bureau. Dat deden we altijd zo.”

Volgens R.D. heeft hij vastgelegd hoe hij de gebeurtenissen zelf had beleefd. Hij verklaarde dat hij tijdens de achtervolging van schrik opzij boog en later bij de Rijksrecherche ook heeft verklaard over de vraag of de auto’s bewogen. “Ik heb alleen opgeschreven in het proces-verbaal hoe ik dacht hoe het gegaan was.”

De rechter vroeg R.D. ook naar de verklaring van M.H. dat het incident bewust ernstiger zou zijn voorgesteld. Volgens M.H. zou zijn afgesproken om het gebeuren meer als een poging tot doodslag te laten klinken, zodat het optreden van de twee agenten die hun vuurwapen hadden getrokken kon worden gerechtvaardigd.

R.D. stelde dat M.H. het mogelijk verkeerd heeft begrepen. Volgens hem spreken collega’s onderling Papiamentu en begrijpt M.H. die taal niet. Hij verklaarde wel dat er tijdens de hectiek op de agentenwacht over het incident was gesproken. Op de vraag hoe dat precies was afgesproken, antwoordde hij: “Op de agentenwacht hebben we het in alle hectiek zo besproken, maar in alle eerlijkheid weet ik het niet meer.”

Volgens R.D. hadden twee collega’s tijdens het incident hun vuurwapen getrokken. “Dat doen ze niet elke dienst. Ik denk dat ze daarom zenuwachtig waren.”

R.D. zei achteraf dat het beter was geweest om het proces-verbaal eerst op hoofdlijnen op papier te zetten en het later, na een nacht slapen, verder uit te werken.

M.H. spreekt over cultuur binnen KPCN

M.H. gebruikte haar slotwoord vervolgens niet alleen om haar eigen rol in de zaak te bespreken. Zij schetste ook een breder beeld van de cultuur die zij tijdens haar werk bij het KPCN naar eigen zeggen heeft ervaren.

M.H. vertelde dat zij zes jaar ervaring uit Nederland had toen zij bij het KPCN kwam. “Ik wist wat het betekende om verantwoordelijkheid te tekenen”, zei ze. Op Bonaire was het beeld volgens haar anders. Ze sprak de taal niet en moest de cultuur leren kennen.

Volgens M.H. werden via een berichtenapp zaken gedeeld die volgens haar niet binnen een politieorganisatie thuishoorden. Ook stelde ze dat collega’s onder invloed op het werk kwamen.

Verder verklaarde M.H. dat geweld tegen burgers niet werd vermeld. Ook discriminatie zou volgens haar een rol hebben gespeeld. Ze sprak over een “vijandige sfeer” binnen het korps.

M.H. verwees in haar slotwoord ook naar gesprekken die zij met Rob Meijer had gevoerd. Volgens haar vonden collega’s het niet goed wanneer hij met bepaalde mensen sprak. “Stilte werd beloond”, stelde M.H. volgens haar slotwoord.

Volgens haar werden collega’s uitgesloten en vervaagden grenzen binnen de organisatie structureel. De integriteit werd volgens M.H. daardoor onvoldoende bewaakt. “Integriteit op papier bestaat, maar in werkelijkheid is het anders”, verklaarde ze.

M.H. zei dat er binnen het korps sprake was van stilzwijgen en dat de integriteit werd geschonden. Aan het einde van haar slotwoord zei ze spijt te hebben van wat volgens haar destijds onjuist was.

KPCN: ‘Integriteit is een belangrijke prioriteit’

Het Korps Politie Caribisch Nederland (KPCN) wil inhoudelijk niet reageren op de uitspraken van M.H. over haar eigen zaak. “De beoordeling van die zaak laten wij aan de rechter”, aldus het korps.

Over de bredere kritiek op de integriteit binnen het korps zegt KPCN wel duidelijkheid te willen geven. Volgens het korps worden signalen en vermoedens van integriteitsschendingen onderzocht en worden bij vastgestelde schendingen passende maatregelen genomen. Dat kan volgens KPCN ook leiden tot ontslag.

KPCN wijst daarbij op de situatie in 2024, de periode waar M.H. in haar slotwoord naar verwees. In dat jaar werd volgens het korps een politiemedewerker na disciplinair onderzoek onvoorwaardelijk ontslagen wegens ernstig plichtsverzuim.

In een andere zaak startte KPCN zelf een disciplinair onderzoek na signalen over mogelijke integriteitsschendingen bij een geweldsincident. Toen daarbij ook mogelijke strafbare feiten naar voren kwamen, werd de zaak via het Openbaar Ministerie bij de Rijksrecherche ondergebracht. Enkele KPCN-medewerkers werden vervolgens aangehouden. Later dat jaar kregen zij volgens het korps een voorlopig besluit tot ontslag.

“Tot de medewerkers die in die periode zijn ontslagen, behoort ook mevrouw M.H.”, stelt KPCN.

Het korps benadrukt dat integriteitskwesties ook in 2026 worden onderzocht. Dit jaar zijn volgens KPCN tot nu toe 33 interne onderzoeken uitgevoerd. In zeven gevallen hebben de uitkomsten geleid tot disciplinaire maatregelen.

KPCN zegt vanwege privacy, de rechtspositie van medewerkers en de zorgvuldigheid van onderzoeken doorgaans niet afzonderlijk over personeels- en integriteitszaken te communiceren.

“Dat wij over deze onderzoeken en maatregelen doorgaans niet afzonderlijk naar buiten communiceren, betekent nadrukkelijk niet dat zij niet plaatsvinden.”

Volgens KPCN blijft het uitgangspunt dat signalen over mogelijke integriteitsschendingen worden onderzocht en dat wordt opgetreden wanneer daar aanleiding toe is.

OM wil zwaardere straffen

Het Openbaar Ministerie stelde tijdens de behandeling dat van een politieagent bij uitstek mag worden verwacht dat hij of zij eerlijk verklaart. Volgens de procureur-generaal moet kunnen worden vertrouwd op de juistheid van processen-verbaal.

De procureur-generaal maakte daarbij onderscheid tussen beide verdachten. Volgens het OM heeft M.H. vanaf het begin een open houding gehad en spijt betoond, terwijl R.D. de mishandeling blijft ontkennen.

Het OM stelde daarnaast dat R.D. eerder betrokken was bij een openbare mishandeling toen hij nog geen politieagent was.

De procureur-generaal achtte het valselijk opmaken van het proces-verbaal tegen beide verdachten wettig en overtuigend bewezen. Ook de mishandeling door R.D. werd volgens het OM bewezen geacht.

Voor M.H. eiste het OM een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand en ontzetting uit het ambt van politieagent voor drie jaar.

Tegen R.D. eiste het OM vier maanden voorwaardelijke gevangenisstraf, 200 uur taakstraf en ontzetting uit het ambt van politieagent voor vijf jaar.

Het Hof doet op 6 oktober om 13.45 uur uitspraak.


251 keer gelezen

Deel dit artikel: