Voelen Bonairianen zich tweederangsburgers? Zestien jaar na 10-10-10 woedt de discussie nog altijd

Zestien jaar geleden veranderde Bonaire ingrijpend. Op 10 oktober 2010 hielden de Nederlandse Antillen op te bestaan en kreeg Bonaire een nieuwe positie als openbaar lichaam binnen Nederland. De gedachte achter die nieuwe verhouding was helder: het leven van inwoners moest beter worden. Maar is dat gelukt? En in hoeverre ervaren Bonairianen zestien jaar later dat zij binnen Nederland daadwerkelijk gelijkwaardig worden behandeld?
Zestien jaar later is er zonder twijfel veel veranderd. De zorg werd uitgebreid, het onderwijs verbeterde op onderdelen, uitkeringen en het minimumloon gingen omhoog en vanuit Nederland kwamen honderden miljoenen beschikbaar voor Caribisch Nederland.
Maar de discussie over gelijkwaardigheid is nooit verdwenen. Integendeel. Wie op Bonaire met inwoners praat, hoort naast erkenning voor wat sinds 2010 beter is geworden ook verhalen over hoge boodschappenprijzen, een woningmarkt waarop lokale inkomens nauwelijks kunnen concurreren, lagere inkomens en pensioenen dan in Europees Nederland, Haagse regels die niet altijd bij het eiland passen en het gevoel dat belangrijke beslissingen ver weg worden genomen.
Daar komt een harde term bij terug: tweederangsburgerschap. Niet iedere Bonairiaan gebruikt dat woord. Sommigen wijzen het zelfs nadrukkelijk af. Anderen vinden dat het precies beschrijft hoe zij hun positie binnen Nederland ervaren.
Onderzoek naar tweederangsburgerschap
Voor deze vierdelige serie werd onderzocht hoe inwoners van Bonaire hun positie binnen Nederland ervaren en in hoeverre er zestien jaar na 10-10-10 nog sprake is van een gevoel van tweederangsburgerschap.
In het eerste deel staan de ervaringen van inwoners centraal. Het tweede deel kijkt naar de cijfers achter onder meer armoede, inkomen, bevolkingsgroei en bestaanszekerheid. In deel drie wordt onderzocht hoe de huidige situatie sinds 10-10-10 is ontstaan. Het vierde en laatste deel gaat over de vraag wat er moet veranderen om tot meer gelijkwaardigheid te komen.
Voor het onderzoek sprak de auteur met inwoners van verschillende leeftijden en achtergronden. De respondenten die anoniem worden opgevoerd zijn bij de auteur bekend, maar willen vanwege de kleine gemeenschap van Bonaire niet bij naam worden genoemd.
Daarnaast is gebruikgemaakt van openbare rapporten en documenten en materiaal uit de bibliotheek op Bonaire. Ook kreeg de auteur toegang tot het omvangrijke archief van journalist en geschiedschrijver Bòi Antoin, die al tientallen jaren de politieke, maatschappelijke en staatkundige ontwikkelingen op Bonaire documenteert.
De centrale vraag van deze serie is eenvoudig te stellen, maar veel moeilijker te beantwoorden: zijn inwoners van Bonaire zestien jaar na 10-10-10 werkelijk gelijkwaardig aan inwoners van Europees Nederland?
Eén op de vijf onder de armoedegrens
Dat dit niet alleen een gevoelsmatige discussie is, blijkt uit de cijfers. Volgens de meest recente CBS-cijfers leefde in 2024 21 procent van de inwoners van Bonaire onder de armoedegrens. Een jaar eerder was dat nog 32 procent. Onder minderjarige kinderen daalde het aandeel in één jaar zelfs van 41 naar 29 procent.
Die forse daling kwam niet uit het niets. In 2024 werd het wettelijk minimumloon op Bonaire sterk verhoogd en gingen ook de AOV, AWW, onderstand en kinderbijslag omhoog. Daarnaast konden huishoudens met een laag inkomen gebruikmaken van energietoeslag. Volgens het CBS hebben die maatregelen een zichtbaar effect gehad op de armoede. Tegelijkertijd leefde ook na die verbeteringen nog altijd ruim één op de vijf inwoners van Bonaire onder de armoedegrens.
Er is dus duidelijke vooruitgang. Maar achter die verbetering schuilt ook een ongemakkelijke vergelijking. In Europees Nederland ligt het aandeel inwoners in armoede veel lager. Bovendien zeggen verschillende geïnterviewden dat zij ondanks hogere inkomens nauwelijks meer financiële ruimte ervaren omdat wonen, eten en energie duur zijn.
‘Nederland leeft van ons geld’
Voor een tachtigjarige vrouw op Bonaire hoeft niemand haar met statistieken uit te leggen dat er een verschil bestaat. “Wij hebben niks te zeggen”, verklaart zij.
Ze woont al ongeveer 55 jaar op Bonaire en ziet de verhouding met Nederland vooral als een verhouding waarin de macht elders ligt. Geld speelt daarin voor haar een belangrijke rol. Ze vindt dat inwoners van Bonaire en de voormalige Nederlandse Antillen jarenlang hard hebben gewerkt en dat Nederland daarvan heeft geprofiteerd, terwijl op Bonaire zelf mensen met lage inkomens en hoge kosten van levensonderhoud kampen.
“Nederland leeft van ons geld”, zegt ze daarover. Ze bedoelt daarmee vooral dat de verhouding volgens haar scheef is: Nederland profiteert, terwijl een deel van de Bonairiaanse bevolking moeite heeft om rond te komen. Ze spreekt zelfs over mensen die “honger lijden”. Tegelijkertijd koppelt ze die economische ongelijkheid aan zeggenschap. Volgens haar bepaalt Nederland uiteindelijk over geld en daarmee mede over de toekomst van het eiland. Bonaire leeft volgens haar “onder druk van jullie”.
Het zijn harde woorden. Haar frustratie gaat niet alleen over geld. Ze mist vooral respect en zeggenschap. Bonaire leeft volgens haar “onder druk van jullie”, waarbij ‘jullie’ Nederland betekent.
En verandering? Daar klinkt weinig vertrouwen in. “Voor mij hoeft het niet meer”, zegt ze. Ze is tachtig. Voor jongere generaties vindt ze het wel noodzakelijk.
“Ik voel me niet kleiner door een Nederlander”
Een dertigjarige vrouw kijkt er heel anders naar. Wanneer haar wordt gevraagd of zij zich een tweederangsburger voelt, moet ze eerst nadenken. De staatkundige verhouding tussen Bonaire en Nederland speelt in haar dagelijks leven nauwelijks een rol. Haar aandacht gaat vooral uit naar haar eigen leven, ontwikkeling en toekomst.
Persoonlijk voelt de dertigjarige zich niet achtergesteld. “Ik voel me niet kleiner door een Nederlander.”
Juist die uitspraak laat zien hoe ingewikkeld het begrip tweederangsburgerschap is. Iemand kan zich persoonlijk volledig gelijkwaardig voelen en tegelijkertijd tegen verschillen aanlopen die als oneerlijk worden ervaren. Voor haar wordt dat zichtbaar op de woningmarkt.
Al maanden volgt ze het aanbod en de huizenprijzen. Woningen die met een lokaal inkomen nauwelijks zijn op te brengen, ziet zij ondertussen wel naar mensen van buiten Bonaire gaan. “Weer een buitenlander die wel koopt. En ik kan het niet kopen en de prijzen blijven alleen maar stijgen.”
Het probleem is voor haar dus niet dat zij zich minder voelt dan iemand uit Nederland. De onzekerheid zit in haar toekomst op het eigen eiland: heeft zij over enkele jaren nog dezelfde mogelijkheid om hier een huis en een bestaan op te bouwen? Ze wil vooral “gerust” kunnen zijn dat een eigen woning ooit haalbaar wordt.
Studeren, terugkomen en dan?
Een 35-jarige Bonairiaan legt de nadruk op een andere vorm van ongelijkheid: werk en toekomstperspectief.
Hij ziet jongeren van Bonaire naar Nederland vertrekken om daar een opleiding te volgen. Ze maken de grote overstap, halen een diploma en keren soms terug naar het eiland. Maar volgens hem betekent dat niet automatisch dat ze vervolgens ook werk krijgen dat bij hun opleiding past.
Hij ziet hogere functies regelmatig naar mensen van buiten Bonaire gaan.
Daar zit volgens hem een wrange tegenstelling in. Jongeren krijgen te horen dat onderwijs hun kansen vergroot, maar wie daarna terugkeert, treft een kleine arbeidsmarkt aan, lagere salarissen en soms concurrentie van professionals die vanuit Nederland worden aangetrokken.
Toch is ook zijn verhaal niet zwart-wit. Hij vindt bijvoorbeeld dat bepaalde onderdelen van de gezondheidszorg op Bonaire juist goed geregeld zijn. Zijn grootste bezwaar is dat Nederlandse regels en systemen volgens hem soms worden toegepast zonder voldoende te kijken naar hoe Bonaire werkelijk functioneert.
“Alsof we dom zijn”
Bij een gesprek met een aantal zestigers wordt de toon scherper. Een van hen woonde ongeveer dertig jaar in Nederland. Zij vertelt dat zij zich daar bewust was van het feit dat ze in een andere samenleving woonde en zich daar respectvol naar gedroeg. Van Nederlanders die zich op Bonaire vestigen verwacht zij hetzelfde.
Dat respect ervaart zij lang niet altijd. “Je hebt respect voor hun, want je bent daar. Maar ze hebben geen respect voor ons.”
Ze spreekt over arrogantie en het gevoel dat op lokale inwoners wordt neergekeken. “Alsof we dom zijn.”
Volgens haar is het verschil ook zichtbaar bij banen. Twee mensen kunnen dezelfde opleiding hebben gevolgd, zegt ze, maar staat daarmee nog niet vast dat zij dezelfde kans krijgen. “Misschien hebben jij en ik dezelfde studie gedaan, maar alleen maar omdat jij wit van kleur bent, krijg jij de baan.”
Daarna gebruikt ze de hardste kwalificatie uit alle gesprekken. “Het is eigenlijk een soort verborgen slavernij.”
Het is haar ervaring en haar kwalificatie. Andere geïnterviewden gaan daar nadrukkelijk niet in mee. Juist de afwijkende antwoorden zijn kenmerkend voor dit onderzoek.
Een rozijn in een witte cake
Een andere vrouw uit dezelfde leeftijdsgroep werkte in de geestelijke gezondheidszorg. Zij kijkt vooral naar taal, cultuur en de waardering van lokale kennis.
Ze zag Nederlandse professionals naar Bonaire komen die het Papiaments niet beheersten en de lokale cultuur nog moesten leren kennen. Lokale werknemers hielpen vervolgens met vertalen en met het begrijpen van cliënten en de samenleving.
Tegelijkertijd ervoer zij dat de Nederlandse professional soms een hogere functie of beter salaris kreeg.
Toen haar werkomgeving steeds Nederlandser werd, omschreef zij haar positie als “een rozijn in een witte cake”.
Voor haar gaat gelijkwaardigheid daarmee ook over iets dat nauwelijks in tabellen is uit te drukken: wordt lokale kennis even serieus genomen als een diploma of ervaring uit Nederland?
De advocaat die niet dezelfde kant op kan
Een 38-jarige advocaat geeft juist een zeer concreet voorbeeld. Hij studeerde Nederlands recht in Amsterdam en werkt als advocaat op Bonaire. Wil hij hetzelfde beroep in Europees Nederland uitoefenen, dan gelden aanvullende voorwaarden en kan hij daar niet zonder meer als advocaat aan de slag.
Andersom kunnen advocaten uit Europees Nederland volgens hem wel gemakkelijker op Bonaire werkzaam zijn. Hij noemt dat verschil “onbegrijpelijk”.
Zijn eigen ervaringen in Nederland waren bovendien niet eenvoudig. Toen hij op jonge leeftijd ging studeren, moest hij niet alleen wennen aan het onderwijsniveau, maar ook aan zelfstandig wonen, reizen en het ontbreken van zijn vertrouwde sociale omgeving.
In Nederland voelde hij zich soms “een nummertje”. Op Bonaire voelt hij de gemeenschap die hij daar miste.
“Niet 100 procent gelijk”
Een 48-jarige man verzet zich tegen het idee dat Bonaire automatisch achtergesteld is zodra iets anders geregeld is dan in Europees Nederland. Hij voelt zichzelf geen tweederangsburger.
Volgens hem moet ook naar de eigen verantwoordelijkheid van inwoners worden gekeken en worden positieve veranderingen door Nederland soms te gemakkelijk vergeten. Tegelijkertijd erkent hij dat de levensstandaard omhoog moet. Hij noemt lagere lonen, pensioenen, slechte wegen en de extra uitdagingen voor studenten.
Bonaire hoeft volgens hem niet “100 procent gelijk” te worden aan Nederland. Maar iemand moet wel kunnen werken, huur betalen, water en elektriciteit betalen, boodschappen doen en uiteindelijk fatsoenlijk met pensioen kunnen.
Daarmee komt hij uit bij een onderscheid dat in deze serie steeds belangrijker wordt: gelijkheid en gelijkwaardigheid zijn niet per definitie hetzelfde.
Ook oud-bestuurder Nolly Oleana heeft moeite met het begrip tweederangsburger. “Onderscheid te maken tussen eerste- of tweederangsburger durf ik niet eens te doen, want dan ben ik in principe aan het discrimineren.” Voor hem is het belangrijker hoe iemand zichzelf en zijn plaats binnen het Koninkrijk ziet. Zelf zegt hij: “Ik voel me ook een Nederlander omdat ik deel ben van het Koninkrijk.”
Daarmee voegt Oleana opnieuw een ander perspectief toe aan de discussie. Hij ontkent niet dat er verschillen bestaan tussen Bonaire en Europees Nederland, maar vindt dat die verschillen niet automatisch betekenen dat iemand een eerste- of tweederangsburger is.
Een belofte die moeilijk meetbaar bleek
Bij de staatkundige hervorming van 2010 werd beloofd dat de kwaliteit van leven voor inwoners van Bonaire, Sint Eustatius en Saba zou verbeteren. Vijftien jaar later concludeerden samenstellers Nina den Heyer en René Zwart in het boek Kroniek van een gebroken belofte dat er onmiskenbaar vooruitgang was geboekt, maar dat de kloof in welvaart en vooral welzijn nog altijd groot was.
Zestien jaar na 10-10-10 is dus niet de vraag of er iets is verbeterd. Dat is aantoonbaar gebeurd. De veel moeilijkere vraag is wanneer verbetering voldoende is om van gelijkwaardigheid te spreken.
De tachtigjarige die zegt “wij hebben niks te zeggen” geeft daarop een ander antwoord dan de dertigjarige die zegt „ik voel me niet kleiner door een Nederlander”. De advocaat kijkt weer naar wettelijke mogelijkheden, terwijl anderen vooral praten over boodschappen, woningen, salarissen en respect.
Dat is misschien wel de belangrijkste eerste conclusie van deze serie. Er bestaat niet één Bonairiaans antwoord op de vraag of inwoners tweederangsburgers zijn.
Maar zestien jaar na de belofte van betere levensomstandigheden bestaat er nog altijd genoeg verschil om die vraag te blijven stellen. In het tweede deel wordt gekeken wat de cijfers achter die ervaringen vertellen.
Deze publicatie is tot stand gekomen met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten, zie ook www.fondsbjp.nl



































